Wetenswaardigheden, Zuivelfabrieken
Zuivelfabrieken kwamen en gingen

Informatie door prof. dr. Jos Lankveld i.v.m. een lezing op 26 mei 2011 te Doesburg en 24 oktober 2012 in Hengelo Gld.

Melk en melkproducten zijn door de eeuwen heen benut als voedingmiddel. Boter en kaas, bereidt op de boerderij waren zeer gewaarde handelsproducten. De kennis voor de ambachtelijke bereiding van boter en kaas berustte op ervaring en werd steeds door de boerin doorgegeven. Eind 19e eeuw kwam hierin een drastische verandering en ontstonden er op meerdere plaatsen melkinrichtingen en zuivelfabrieken. Het was het begin van een zeer dynamische periode voor de melkverwerking.

De dynamische periode eind 19e eeuw gold voor de gehele agrarische sector. Grote veranderingen brachten problemen en kansen. De landbouwcrisis, de slechte kwaliteit van boter en knoeierijen leidde tot groot verlies in marktaandeel voor boter op de Britse markt. Door de opkomst van de margarineproductie werd deze situatie verergerd. Kansen kwamen er echter in dezelfde periode door de opkomst van het gebruik van kunstmest en de introductie van de continu werkende roomcentrifuge. De oprichting van een vakzuivelschool door de Gel-dersch-Overijsselse Maatschappij van Landbouw  (GOMvL) in 1889 en de aanstelling van een wandelleraar moest de kennis van melk en melkverwerking op de boerderij op een hoger plan brengen. De heer J.J. van Weydom Claterbos, wandelleraar van de vakzuivelschool (1889-1897), gaf gedurende de winterperiode lezingen in bijna alle dorpen en buurtschappen in Gelderland. In de zomer volgde dan een cursus van een maand op een geselecteerde boerderij. Deze lezingen en cursussen waren veelal het sein voor de vorming van “een commissie tot oprichting van een zuivelfabriekje”. De opwinding was groot, de bedoelingen goed maar het resultaat veelal teleurstellend; financiële middelen of vertrouwen ontbraken. Men keek liever de kat uit de boom.
De burgermeester van Hummelo en Keppel, C.W. Vrijland (1883-1920), hield in de algemene vergadering van de Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw juli 1889 een inleiding over het nut van de oprichting van boterfabrieken. Dat moet de aandacht hebben getrokken van de boterhandelaar C.P. Simonsz uit Harlingen. Deze begon in overleg met ‘Olden-Keppel’ over melklevering. Ondanks weinig bevredigend resultaat besluit hij een boterfabriekje te bouwen aan Contre Escarpe te Doesburg. De aanbesteding volgde 25 september 1890. Zomer 1891 start de ‘Geldersche Roomboterfabriek’ met de productie van boter en is daarmee een van de eerste in Gelderland. Angerlo en Wehl volgden in 1894, Steenderen in 1899. Toen afgescheiden melkleveranciers van Steenderen in Hoog-Keppel, na 25 jaar discussie, een eigen stoomzuivelfabriek kregen, droogde de melkstroom voor de ‘Geldersche Roomboterfabriek’ op en moest deze na bijna 25 jaar stoppen.
Het verhaal van de melkverwerking in de regio Doesburg zal worden verteld aan de hand van een power-point presentatie. De presentatie, met veel beeldmateriaal, zal worden verlevendigd met verhalen over karakteristieke gebeurtenissen aangevuld met verschillende anekdotes. 

Jos Lankveld (1943) studeerde levensmiddelentechnologie aan de Landbouwhogeschool in Wageningen en bewerkte daar een proefschrift. Hij werkte zijn gehele professionele carrière in de voedingsmiddelenindustrie (Unilever, Zuivelonderzoek, Campina en Wageningen Universiteit) op het gebied van onderzoek, productontwikkeling, voeding en marktinnovatie. Bij zijn pensionering bij Campina werd hij in 2001 benoemd tot bijzonder hoogleraar in de Zuivelkunde aan de Universiteit van Wageningen en is nu met emeritaat. Hij houdt zich nu bezig met een studie naar de wordingsgeschiedenis van de zuivelfabriekjes in Oost-Nederland. Hij is momenteel voorzitter van het bestuur van de Vereniging voor Landbouwgeschiedenis (www.vlg.wur.nl).

Home  |  Fotoalbum  |  Reclame  |   |  Archief  |  Links  |  Contact  |  Sitemap